wiki.foso.be€¦ · Web viewDe primaire functie van diplomatie is niet het bewaren van...

of 32/32
THEORIEËN VAN DE INTERNATIONALE BETREKKINGEN Samenvatting reader
  • date post

    03-Sep-2020
  • Category

    Documents

  • view

    1
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of wiki.foso.be€¦ · Web viewDe primaire functie van diplomatie is niet het bewaren van...

THEORIEËEN van de INTERNATIONALE BETREKKINGEN - READER

THEORIEËN VAN DE INTERNATIONALE BETREKKINGEN

Samenvatting reader

2017-2018Daan Delespaul

22sdfbjsfkjb

InhoudsopgaveTHE FUTURE OF DIPLOMACY3WHY IRAN SHOULD GET THE BOMB3THE ISRAËL LOBBY AND U.S. FOREIGN POLICY4LAWS AND THEORIES6INTERNATIONAL POLITICS: A DUAL APPROACH7TWO CHEERS FOR MULTILATERALISM8THE EUROPEAN CONSTITUTIONAL SETTLEMENT10ANARCHY IS WHAT STATES MAKE OF IT13A WORLD WITHOUT SUPERPOWERS: DECENTRED GLOBALISM15THE NEW AGENDA19THE PERSISTENT MYTH OF LOST HEGEMONY20“WALLS” BETWEEN “THOSE PEOPLE”? CONTRASTING PERSPECTIVES ON WORLD POLITICS22SOVEREIGNTY AND THE UFO23

REALISME

THE FUTURE OF DIPLOMACY

HANS J. MORGENTHAU

Vier taken van diplomatie

De primaire functie van diplomatie is niet het bewaren van internationale vrede, maar het behartigen van de nationale belangen. Deze functie is vierledig:

1. Ten eerste moet ze haar doelen bepalen in het licht van deze belangen.

2. Daarnaast moet ze de belangen van andere landen opvangen en inschatten hoe hieraan kan tegemoet gekomen worden.

3. Inschatten in hoeverre deze belangen met elkaar kunnen in overeenstemming worden gebracht.

4. Middelen inzetten om deze doelen te bereiken.

Een land dat in haar doelen te ambitieus is riskeert oorlog, net zoals een land dat de belangen van een ander land foutief inschat. Datzelfde gebeurt wanneer men de macht van een ander onder- of overschat. Morgenthau denkt voornamelijk in termen van nationale belangen. Diplomaten moeten die dan ook steeds met elkaar vergelijken. Wanneer het belang voor een land niet compatibel is met die van een ander land, moet men uitmaken of deze nog moeten worden nagestreefd. Dan kan men zich de vraag stellen of die belangen voor het andere land net even belangrijk zijn: dan kan men proberen compensatie te bieden, of, in het extreme geval, oorlog verklaren. Het bereiken van belangen is het primaire doel van een diplomatie gericht op vrede. Hiervoor zijn drie middelen: compromis, overtuiging en gebruik van geweld. Het is belangrijk de juiste van de drie tools op het juiste moment te gebruiken.

De negen regels van de diplomatie

Om de vrede te bewaren moet de huidige diplomatie heropleven. Een “revived diplomacy” probeert ten eerste geen waarden op te leggen. Dit heeft geen zin en door het te willen opleggen staat men een morele consensus in de weg. Ten tweede moet een buitenlandse politiek de nationale belangen verdedigen en desnoods ingrijpen. Ten derde moet diplomatie naar de situatie kijken van het andere land zodat met steeds de buitenlandse belangen aan de eigen kan meten. Wanneer die belangen zijn gerelateerd aan nationale veiligheid en niet een ‘bekeringsdrang’ werkt dit de vrede in de hand. Dit zou er immers voor zorgen dat men zich kan terugtrekken achter een lijn en dat de ander weet dat wanneer die lijn wordt overtrokken men oorlog riskeert. Voor alles wat niet achter de lijn ligt, en dus niet van vitaal belang is, moet men compromissen kunnen sluiten, dat is de vierde regel. Om überhaupt compromissen te kunnen bereiken zijn vijf zaken belangrijk:

1) Hou niet te strak vast aan wetten, politieke overwinningen zijn belangrijker.

2) Kom nooit in een positie waarbij men zich niet kan terugtrekken zonder gezichtsverlies, of doorgaan met felle risico’s.

3) Laat een zwakke bondgenoot nooit keuzes voor je maken.

4) Het leger is een instrument van beleid, maar niet haar meester: wie het leger laat leiden eindigt immers steeds in oorlog.

5) Een regering is de leider van de publieke opinie, niet zijn slaaf.

WHY IRAN SHOULD GET THE BOMB

KENNETH N. WALTZ

De huidige crisis in Iran kent drie mogelijke uitkomsten. Een eerste mogelijkheid is dat de VSA en EU door sancties Iran kunnen overtuigen af te zien van haar programma. De geschiedenis leert ons echter dat staten in dezelfde context hiertoe zelden bereid zijn (bv. Noord-Korea). Meer zelfs: door sancties kan Iran zich nog meer bedreigd voelen wat de nood aan kernwapens vergroot. Een tweede mogelijkheid is dat Iran zich verder ontwikkelt tot het punt waarop ze kernwapens kunnen aanmaken, zonder ze effectief in te zetten zoals bij bijvoorbeeld Japan het geval is. Dit kan het westen geruststellen en anderzijds ook de elite in Teheran op beide oren laten slapen, maar de Israëlieten zullen er nooit genoegen mee nemen en het programma waarschijnlijk blijven dwarsbomen. Een derde optie is dat Iran zijn bom ontwikkelt. De VSA en Israël zullen dit sterk veroordelen en vrezen voor hun veiligheid, maar uit het verleden is gebleken dat elk lid dat bij de nucleaire club komt niet meer chaos, maar juist stabiliteit genereert. Al jaren ligt Israël immers als enige nucleaire macht afgezonderd in het Midden-Oosten, waar het een unieke instabiliteit creëert. Het nucleaire programma van Iran is dan ook in geen zin een offensieve, maar veeleer een defensieve zet.

Een reden voor de angst voor het programma is dat men er in de buitenwereld vanuit gaat dat de Iraanse machthebbers irrationeel zijn. Deze angst is ongefundeerd, maar wordt door beleidsmakers actief aangehaald om hun optreden te legitimeren. Echter, wat zou nu concreet de winst zijn voor Iran om Israël te bombarderen, goed wetende dat de counter veel groter zal zijn? Is het niet veel logischer dat men dit uit defensieve overwegingen deed? Toch menen enkele Irankenners dat ook met een rationele omgang met het nucleaire arsenaal het regime gevaarlijker wordt. Zo zouden zij veel zekerder in hun schoenen staan in hun buitenlandpolitiek en het steunen van terrorisme. Opnieuw spreekt de geschiedenis tegen: voordien stelde elke staat die een nucleaire capaciteit verwierf zich veeleer terughoudend en defensief op na het verkrijgen van die wapens. Het zou bovendien dwaas zijn deze wapens aan terroristen te verschaffen aangezien ze duur zijn en de VSA er gemakkelijk achter kan komen. Een andere vrees is dat de nucleaire wapens voor een soort race in het Midden-Oosten zou zorgen. Toen Israël deze wapen in 1960 kreeg gebeurde dit echter ook niet, dus er is weinig reden te denken dat dat nu wel zou gebeuren.

Waltz meent eerder dat een nucleair Iran Israël juist in balans zou houden, wat de stabiliteit in de regio zou bevorderen. In de plaats daarvan kan men beter een open dialoog aangaan met het land en de sancties, die toch alleen maar gewone burgers raken, opheffen.

THE ISRAËL LOBBY AND U.S. FOREIGN POLICY

JOHN J. MEARSHEIMER EN STEPHAN M. WALT

In geen enkele regio werkt het buitenlands beleid van de VSA zo hard door als in het Midden-Oosten. Het primaire doel van het Amerikaans beleid zouden haar nationale belangen moeten zijn, maar vaker blijkt het beleid gestuurd door de belangen van Israël, hetgeen de Islamitische wereld fel heeft ontstemd en de bron is van de meeste problemen gerelateerd aan de Amerikaanse veiligheid van vandaag de dag. De redenen vooral de VSA zich zo laat afleiden moet vooral intern gezocht worden, waar de Israëlische lobby erg sterk staat

De grote weldoener

Sinds de Oktoberoorlog van 1973 kreeg Israël tot 140 miljard dollar aan steun per jaar, het hoogste aantal ooit verleend door de VSA en 20% van het jaarlijkse ontwikkelingsbudget. Dit komt neer op een $500 per inwoner op jaarbasis. Daarnaast komen nog een hele boel andere voordelen waardoor Israël zo niet eens in de VSA moet teruginvesteren met dat budget. Daarenboven heeft de VSA reeds 33 veto’s gesteld in de Veiligheidsraad, gerelateerd aan Israël. Dit zou te verklaren zijn als het land van vitaal strategisch belang was of de VSA een morele plicht had, maar niets daarvan is waar.

Een strategisch risico

Israël was inderdaad een belangrijke bondgenoot in de Koude Oorlog om de Sovjetinvloed in de regio te beperken, al was die steun niet goedkoop en heeft het bij veel buurlanden kwaad bloed gezet. Gaandeweg werd het land eerder een blok aan het been: het bleek militair niet sterk genoeg om de regio stabiel te houden en zorgde voor diplomatieke problemen met de andere moslimlanden. Sinds 9/11 kreeg het bondgenootschap een nieuwe dimensie in de strijd tegen terrorisme en kreeg Israël vrij spel tegen de Palestijnen en Hezbollah. De terroristische dreiging voor de VSA is er echter toch voornamelijk vanwege hun band met Israël. Diplomatiek wordt het voor de VSA ook steeds lastiger Israël te steunen nu veel meer landen dit moreel onrechtvaardig vinden. Tenslotte is Israël ook helemaal niet de loyale bondgenoot die wordt voorgesteld. Let zo bijvoorbeeld op de verregaande spionage.

De morele casus

Naast omwille van haar haar strategische nut, moet de VSA Israël volgens sommigen ook om morele redenen steunen. Ten eerste is het land zwak en omgeven door vijanden, ten tweede als enige in de regio een (stabiele) democratie, ten derde heeft het door het verleden steun verdiend en tenslotte is het land ook moreel veel beter dan de anderen in de regio. Na analyse gaat geen van deze argumenten op.

Het eerste argument gaat alvast niet op: Israël heeft, en heeft altijd het sterkste leger in het Midden-Oosten gehad. Het tweede argument is vreemd aangezien de VSA ook relaties aanhoudt met landen die geen democratie zijn en er bovendien veel democratieën zijn die niet de steun krijgen die Israël wel krijgt. Verder is de status van Israël als democratie op zijn minst twijfelachtig te noemen: de 1,3 miljoen Arabieren die het land telt worden behandeld als tweederangsburgers. Het laatste argument houdt wel steek, maar toch is het opmerkelijk – en het geeft geen reden voor vrij spel - dat juist Israël de Palestijnen zo erbarmelijk behandelt. Het is ook zeker niet zo dat de Israëlieten steeds vrede als oplossing vooropstellen, beide kanten hebben in het verleden erg agressief gereageerd.

De Israël lobby

De lobby is een coalitie van individuen en organisaties, geenszins onder een centraal leiderschap. Deze groep wordt niet per definitie gesteund door Amerikaanse joden en bevat ook mensen die zelf niet joods zijn. Zo bevat de lobby ook enkele evangelistische leiders, de zogenaamde zionistische christenen. Zij zien de wedergeboorte van Israël als Gods wil. De lobby claim voornamelijk joodse Amerikanen te dienen, maar vertoont in feite vooral een sterke band met Israël. AIPAC is een van de groepen die uiterst efficiënt is. In se doen zij niets anders dan de andere lobbygroepen, maar zij slagen erin een hogere efficiëntie te bereiken. De lobby probeert daarin zowel de wetgevers als de publieke opinie voor zich te winnen. Het Congres telt verscheidene pro-Israëlitische MPs en ook de medewerkers zijn vaak joods. Bovendien heeft de lobby ook erg veel financiële middelen ter beschikking, die ze zowel voor als tegen kandidaten inzet. De VSA kent niet uitermate veel joodse stemmers (3%), maar deze zijn rijk en komen vaker opdagen bij verkiezingen. Ook de media heeft de lobby in haar pocket, door boycots tegen anti-Israëlitische opvattingen en financiële incentives. Daarnaast heeft ze veel leden binnen denktanks geplaatst en verdrievoudigde ze onlangs haar budget voor universiteiten. Haar grootste wapen is echter de beschuldiging van antisemitisme, waarmee ze de publieke opinie meteen op haar hand krijgt. Zo claimt de lobby dat het antisemitisme in de EU is toegenomen, terwijl dit feitelijk niet waar is.

Effect op het beleid

Naast ontwikkelingsgeld zorgde de lobby ook voor steun aan het regime in hun aanpak van de Palestijnen. Ook de bij de beslissing om de oorlog tegen Irak te starten in 2003 zou de lobby een belangrijke rol hebben gespeeld. Israël zou daarbij een van de primaire bronnen zijn geweest achter het valse verhaal van het nucleaire programma van Sadam Houssein. Verscheidene politici lieten bovendien verstaan dat wat hen betrof de oorlog zo snel mogelijk moest beginnen. Binnen de VSA zelf kwam vooral steun vanuit een groep neoconservatieven geallieerd aan Likud. Dit ging grotendeels voorbij aan het feit dat de joodse bevolking van Amerika veel minder enthousiast was over een oorlog.

Nadat Bagdad was gevallen begonnen Israëlische leiders Amerika aan te zetten zich op Syrië te richten. Bush was hiervoor minder enthousiast aangezien de Syriërs de VSA al meermaals informatie in verband met terrorisme hadden gegeven. Het feit dat er toch een wet werd gestemd die Syrië aanspoorde tot vrede met Israël kan enkel gezien worden als invloed van de lobby, tegen de nationale belangen van de VSA.

Naast Syrië werden ook de pijlen op aartsvijand Iran gericht. De reactie van de VSA tegen het nucleaire programma van Iran is in het bijzonder opvallend omdat het in se niks te verliezen heeft met een nucleair Iran.

Samenvatting

Het is niet verwonderlijk dat Israël wil dat de VSA zijn buren aanpakt aangezien zij dan vrij spel krijgen met de Palestijnen. Er zijn genoeg redenen voor de VSA om Israël niet langer te steunen, vrede nastreven met de Palestijnen zou hen allicht verder brengen bij het beëindigen van terreur dan een oorlog met Irak. Op dit moment kan niemand de joodse lobby stoppen: ze hebben te veel geld, de media achter zich en geen tegenstem in de vorm van een pro-Arabische lobbygroep. Dit is gevaarlijk voor de nationale belangen van de VSA aangezien het instandhouden van het Palestijns conflict enkel maar meer voedingsbodem voor terrorisme geeft. Bovendien maakt het Amerika hypocriet als de beschermer van mensenrechten en voor de inperking van kernwapens zolang het die van Israël tolereert. Tenslotte is de lobby ook negatief voor Israël zelf: door het blijven promoten van het expansionisme drijft ze haar verder weg in radicalisering waardoor het land stillaan de internationale paria wordt.

LAWS AND THEORIES

KENNETH M. WALTZ

HOOFDSTUK 1 – WETTEN EN THEORIEËN

Om theorieën te definiëren heeft men een definitie van wetten nodig. Een wet impliceert een relatie die meermaals is voorgekomen, zodat het waarschijnlijk is dat als a gebeurt, b ook zal gebeuren. Wetten zijn beschrijvend, daarin verschillen ze ook van hypotheses. Theorieën zijn een brede lading wetten die als verklaring dienen voor fenomenen. Ze zijn gebaseerd op hypothesen en wetten, maar hoe kunnen we nu zeker zijn dat die theorieën kloppen? Allereerst dient men rekening te houden met causaliteit versus correlatie. Bovendien bestaat er ook zoiets als de inductivistische illusie (Lévis-Strauss): hoeveel informatie men ook verzameld, we kunnen die data maar verklaren aan de hand van een theorie. Daarnaast dringt zich nog een probleem op: als de combinaties die tot inductie leiden oneindig zijn, zijn die combinaties die tot een theorie leiden in principe eveneens oneindig.

Maar waarom moet een theorie zelfs kloppen? Waltz verwijst hierbij naar Newton die een theorie opstelde dat massa zich rond een punt concentreert. Newton wist goed genoeg dat dit niet klopte, maar het vergemakkelijkte de berekeningen en daarom werd het gebruikt. Hetzelfde kan in IR gezegd worden van staten als actoren in het internationaal systeem: iedereen weet dat ze niet denken of handelen, maar ervan uitgaan dat ze dat doen vergemakkelijkt het onderzoek. Op die manier kan een theorie dus ook niet ontkracht worden door tegenbewijs, een betere theorie is dus enkel een theorie die iets beter uitlegt of even goed uitlegt, maar simpeler. Meer zelfs een theorie die alles uitlegt is daarom nog niet een goede theorie, de realiteit is immers te complex om hem werkbaar te maken.

Een volgend begrip is een ‘model’. Ofwel wordt hiermee een representatie van de werkelijkheid bedoeld, ofwel een versimpelde representatie van de realiteit.

Het verwerpen van een wet kan enkel door tegenbewijs binnen het spectrum van de realiteit. Om een theorie te ontkrachten is realiteit niet van belang, dit kan enkel door een ‘betere’ theorie wat zoals vermeld niets met realiteit te maken heeft. Dit houdt ook een risico in: een theorie wordt in principe ook niet bevestigt.

Waltz stelt vier manieren op om tot een simplificatie van de werkelijkheid te komen en zo tot een theorie te komen. Dit kan via isoleren, abstrahering, aggregatie en idealisatie. Een theorie zelf kan nooit getest worden, een hypothese op basis van die theorie dan weer wel. Hoe we zo een hypothese opstellen legt Waltz uit via zeven stappen (zie p. 13). Een probleem in het veld van IR is echter vaak dat men geen hypotheses kan testen zolang er geen duidelijke definities en variabelen bestaan. Wat is zo bijvoorbeeld oorlog? Instabiliteit? Terrorisme? Een tweede probleem is dat bij tegenbewijs van een hypothese dit nog steeds niet inhoudt dat een theorie fout zou zijn. Misschien is er gewoon een tussenliggende variabele die een effect maskeert waardoor de theorie niet moet worden verworpen.

HOOFDSTUK 5 – POLITIEKE STRUCTUREN

1. Ordenen van principes

Binnenlandse politieke systemen staan in machtsrelaties ten opzichte van elkaar. Sommige actoren bevelen terwijl andere bevolen worden. Internationale politieke systemen werken dan weer op basis van coördinatie: ieder is er gelijk aan elkaar. Deze systemen zijn decentraal en anarchistisch. Wanneer geen enkele actor echter autoriteit heeft over het hele systeem kunnen geen machtsrelaties ontwikkelen. Het ontbreken van deze orde in het internationale systeem maakt dat een anarchie zich toont.

Waltz probeert deze organisatie uit te leggen door een vergelijking met micro-economische theorieën. Hierin gaan individuele actoren relaties met elkaar aan vanuit eigenbelang, zoals staten op internationaal niveau. Er ontstaat spontaan en onbedoeld een markt, die nadat ze zich ontwikkeld een zelfstandige actor wordt die de individuele eenheden niet meer kunnen controleren. Met andere woorden: ook dit zijn zelfstandige actoren opererend binnen een anarchistisch systeem. Waltz gaat verder met twee voorbeelden om dit te verduidelijken, het blijkt dat het gedrag van de economische actoren in principe wordt gestuurd door vraag en aanbod. In het systeem van de markt spelen dus verschillende actoren een rol, zowel bedrijven als niet-bedrijven, maar toch is de economische theorie gefundeerd op bedrijven de beste. Dit is wat Waltz ook in zijn IR-theorie bedoelt: het is inderdaad niet zo dat staten de enige actoren zijn, maar dit ondersteunt het model wel.

2. Karakter van eenheden

Door een gebrek aan hiërarchie zijn de eenheden zijn staten. Zij zijn soeverein waardoor ze zelf bepalen hoe ze hun interne en externe problemen oplossen. Hierbij kunnen ze ervoor opteren hulp in te roepen van anderen, waardoor hun vrijheid wordt begrensd. Net zoals in een markt worden de meeste wetten binnen het systeem opgelegd door de grote spelers. Toch is macht geen individueel attribuut, maar één op systemisch vlak. Men moet macht immers zien in vergelijking met andere staten, waardoor het als systemisch geldt.

Allianties vormen geen polen, daar is veel meer voor nodig. Kijk bijvoorbeeld naar de geallieerden in Wereldoorlog II, hierin zaten zowel het democratische blok als het Sovjetblok.

INTERNATIONAL POLITICS: A DUAL APPROACH

HANS J. MORGENTHAU

Understanding International Politics

De bedoeling van het boek is de actoren en krachten achter de internationale politiek bloot te leggen. Dit onderzoek naar achterliggende sociale fenomenen is relatief nieuw in het vakgebied van IR, vroeger was dit immers voornamelijk het studiegebied van historici, juristen en idealisten. Een onderzoeker in de IR moet dus niet enkel kijken naar de details aan de oppervlakte, maar dieper graven. Sociale fenomenen kunnen ontdekt worden door continue vergelijking van cases. Dit is vaak niet evident: men moet een onderscheid maken tussen patronen en unieke gebeurtenissen, maar waarin verschilt dat unieke van een patroon? Een tweede probleem is dat men nooit zeker is hoelang die patronen kunnen standhouden, internationale politiek is immers een erg dynamisch gegeven.

Understanding the Problem of International Peace

Kennis binnen IR moet steeds verbonden worden aan de praktijk. Een van die belangrijke zaken betreft het bewaren van de vrede, hetgeen de VSA als machtigste staat ter wereld zeker moet bekommeren. In deze bipolaire context ontstaat een zelfregulerend sociaal principe: de machtsbalans. Andere theoretici geloven dan weer in de rol van internationaal recht en instanties om vrede te bewaren.

What is Political Power?

Internationale politiek is een machtsstrijd. Wat ook de doelen mogen zijn van politici, vanaf wanneer ze die via het internationale systeem pogen op te lossen is hun medium steeds macht. Macht is de mogelijkheid tot controle over anderen of om hun gedrag te beïnvloeden. De politieke macht van een staat wordt in grote mate bepaald door haar militaire capaciteiten. Het betreft een psychologische relatie die een actor controle geeft over de handelingen van een andere actor, elke vorm van buitenlands beleid is nu echter aangewezen op invloed. Een leger is zo enkel nuttig om de vijand mee te bedreigen opdat hij van gedachten verandert en een oorlog dient grotendeels tot hetzelfde. Zelfs een economische policy kan ertoe dienen de greep op een andere staat te vergroten. Een onvoordelige lening aan een andere staat kan zo best nuttig zijn, niet op financiële gronden, maar om de invloed op de staat te vergroten.

The Depreciation of Political Power

Veel denkers zagen power politics maar als een tijdelijk fenomeen uit een verleden vol oorlog dat nu is opgelost door internationale actoren. De zoektocht naar macht is echter eeuwig en alomtegenwoordig. Men kan niet ontkennen dat macht al eeuwenlang de politieke situatie op wereldvlak bepaalt los van de sociale of economische context. Niets zegt natuurlijk dat het verleden de toekomst bepaalt, maar instituten gecreëerd door mensen bleken nooit voldoende om de toekomst aan te passen. Het grootste tegenargument is echter dat de internationale politiek in grote mate een afspiegeling is van de nationale, die evenzeer een vorm van power politics inhoudt. De wil om te domineren komt immers terug in elke menselijke institutie., zelfs gezinnen.

Two Roots of the Depreciation of Political Power

Maar waarom meent iedereen dan dat macht geen rol meer heeft? Ten eerste door het narratief van de 19de eeuw. Daarin werd de macht van de aristocratie vervangen door die van de middenklasse die uiteindelijk eenzelfde systeem op macht uitbouwde maar dit niet wilde erkennen. Het verzet tegen het ancien regime vormde de Amerikaanse nationale identiteit en daarom ook haar buitenlands beleid. Daarin wenste zij zich terug te trekken uit de traditie van Europese power politics waardoor het idee in de 19de eeuw was dat deze periode voorgoed voorbij zou zijn.

The Struggle for Power: Policy of the Status Quo

Zowel binnenlandse als buitenlandse politiek zijn power politics, maar verschillen toch. Door de sociale cohesie en hiërarchische orde is de binnenlandse politiek immers veel meer stabiel en geordend, de internationale politiek is dynamisch en flexibel. Bovendien wordt de binnenlandse politiek niet in dezelfde mate gedetermineerd door de dreiging van geweld.

Elke vorm van politiek heeft een van drie doelen: macht behouden, macht vergroten of macht tonen. Een staat die op internationaal vlak haar macht wil vergroten hanteert een politiek van status-quo, wil ze haar vergroten betreft het een imperialistische politiek en wanneer men haar wil tonen gaat het om prestigepolitiek. Alliantieverdragen zijn vaak een manier van status-quopolitiek teneinde een vredesverdrag in stand te houden. Het was eveneens de kern van de Amerikaanse Monroedoctrine waarbij ernaar werd gestreefd de status-quo op de westelijke hemisfeer te bewaren.

LIBERALISME

TWO CHEERS FOR MULTILATERALISM

ROBERT O. KEOHANE EN JOSEPH F. NYE

Op het hoogtepunt van haar macht, na Wereldoorlog II, kon de VSA een unieke setting van internationale regimes uitwerken en tegelijkertijd haar economische en veiligheidsbelangen waarborgen. Dat alles is nu (ten tijde van Reagan) veranderd: de VSA hebben zich uit UNESCO teruggetrokken en zijn hetzelfde van plan voor de FAO. De huidige administratie gaat ervan uit dat de VSA beter zijn eigen beleid uittekent dan zich door het internationaal toneel te laten besturen. Het probleem is dat deze retoriek van unilateralisme nooit een oplossing kan bieden voor enkele complexe problemen waarvoor de VSA nu staat. Het kan leiden tot kleine nationale triomfen, maar biedt een inadequaat antwoord voor de nationale belangen van Amerika. Een flexibele buitenlandpolitiek anderzijds biedt de kans om opportuniteiten te grijpen.

De nood aan regimes

Amerikanen moeten accepteren dat internationale politiek fundamenteel verschilt van binnenlandse politiek. Die wordt namelijk gestuurd door ‘regimes’, regels en procedures die het gedrag van staten binnen de internationale politiek begrenzen. De VN is niet de enige bron van deze regimes, ook private actoren en het verleden bepalen deze regimes. Regimes variëren in tijd en plaats, en beslaan een brede waaier van onderwerpen. Ze hebben als doel de staten tot een gemeenschappelijk belang te laten komen, niet zoals men denkt er een op te leggen. Zo hebben ze de VSA in het verleden al flink geholpen, bijvoorbeeld bij het NPT en door diverse handelsakkoorden die de liberale economische orde in stand houden.

Niet alle regimes zijn natuurlijk even succesvol, maar de meest succesvolle kennen vier belangrijke functies:

1) Ze zorgen voor ‘burden sharing’; soms zullen staten maar iets willen doen voor zover anderen het ook doen.

2) Ze vergemakkelijken het delen/verkrijgen van informatie.

3) Ze vermijden dat de diplomatieke belangen van staten met elkaar botsen.

4) Ze zorgen voor discipline en continuïteit in het buitenlands beleid.

Onrealistische standpunten

Zeven regels kunnen de VSA helpen om strategisch om te gaan met regimes:

1) Hunker niet te veel naar het verleden, Amerika kan niet een enkele visie opleggen aan de rest van de wereld. Universalistische aanpakken zonder geven en nemen bestaan niet. Internationale organisaties kunnen de VSA informeren over de standpunten van anderen, maar collectieve actie is zelden mogelijk

2) Regimes zijn pas nodig als staten het zelf niet aankunnen, grijp dus alleen in als het nodig is.

3) Zoek gemeenschappelijke interesses. Een interesse opleggen gaat het gevoel aan anderen geven dat ze gediscrimineerd worden.

4) Gebruik regimes om catastrofes te vermijden.

5) De beste ‘enforcement’ is ‘zelf-enforcement’: zolang staten enthousiast zijn over afdwinging zullen ze het ook zelf toepassen. Wederkerigheid zorgt voor een automatische handhaving, omdat staten ook niet willen dat anderen vals spelen. In de organisatie van een samenwerking kan men dus beter focussen op wederkerigheid dan middelen tot ‘enforcement’ via autoriteit.

6) Ga op zoek naar het juiste moment om regimes aan te passen. Dit is vaak in crisismomenten, dan kan men met innovatieve oplossingen komen. Een crisis moet daarom niet leiden tot een hele revisie van het systeem, maar met kleine hervormingen komt men al ver. De VSA moet meer op lange termijn denken hieromtrent.

7) Gebruik regimes om VSA-belangen naar de toekomst te articuleren. De VSA heeft in het verleden vaker last gehad haar eigen strategie te ontwikkelen op lange termijn, regimes kunnen continuïteit waarborgen. Door een veelheid aan verkiezingen en afwisseling van beleidsmakers kan dat voor bondgenoten verwarrend overkomen en Amerika verzwakken in haar leidende rol.

Onderhouden van regimes

Veel huidige regimes waarborgen de belangen van de VSA, omdat ze die zelf hebben uitgetekend. Amerika kan ze dan maar beter ook onderhouden voor ze minder gunstig uitdraaien. Beter dan zijn rug ernaar toekeren kan men juist landen die niet in orde zijn aanspreken en aansporen en een voorbeeld stellen. Daarnaast moet men ook actief inzetten op het creëren van nieuwe regimes en de oude uitbreiden. De auteurs wijzen op drie domeinen waarin dit in het bijzonder zou kunnen:

1) Peacekeeping, maar dan moeten de grootmachten wel samenwerken.

2) Internationale schuldencrises: crisismanagement is de afgelopen jaren uitzonderlijk flexibel gebleken. Regimes kunnen de stabiliteit helpen waarborgen, maar crises allicht niet uitsluiten.

3) Wisselkoersen: teleurstelling in de vlottende wisselkoersen kan worden opgelost met vaste wisselkoersen en gebalanceerde valuta. Grotere stabiliteit zou gepaard gaan met nieuwe onderhandelingen, die de VSA ook willen, maar Europa niet.

De VSA moet niet meer hopen om met unilateralisme de wereldorde te waarborgen. Men kan best een langetermijnstrategie uitwerken gebaseerd op een realistisch begrijpen van de voorwaarden voor effectieve multilaterale samenwerking. Hierbij moet de nadruk liggen op wederkerigheid, wat betekent dat degenen die tegen doen worden gestraft en degenen die willen samenwerken gehoord worden. De VSA moet daarom gedecentraliseerde organisaties steunen die effectieve enforcement waarborgen. Dit zal ervoor zorgen dat men opportunistisch de kansen kan grijpen in crisis de regimes om te vormen naar zijn eigen nationale interesses. Dit is beter dan dromen van globaal unilateralisme.

THE EUROPEAN CONSTITUTIONAL SETTLEMENT

ANDREW MORAVCSIK

Introductie

Men heeft de groeiende Europese integratie steeds gezien als een vorm van spillover die zou leiden tot een federale staat tenzij nationalisme en etnocentrisme dit zouden verhinderen. Academici spreken over “neo-functionalisme”, politici van “de visie van Monnet”. Met de Europese grondwet zien we een nieuwe dynamiek, die ondanks het Europese succes van de afgelopen jaren erg conservatief van aard is. Moravcsik stelt de hypothese naar voren van een “constitutional settlement”, een incrementele toekomstige groei van de Unie binnen een vast grondwettelijk kader.

Een nieuwe synthese: een drieledige verklaring voor Europese integratie

De oorzaken van het Europese integratieproject wordt door vele academici vanuit enerzijds een theorie van politieke economie en anderzijds vanuit internationale regimetheorie binnen een visie op interne besluitvorming genaamd liberaal intergouvernementalisme bekeken. Naar deze visie wordt in het verloop van de tekst gerefereerd als de Nieuwe Synthese. Zij rust op de hypothese dat staten instrumentele actoren zijn op zoek naar beleidscoördinatie. Dit gebeurt in drie stappen: de formulering van voorkeuren als reactie op functionele beleidsinterdependentie, onderhandelingen tussen staten om een Pareto-efficiënte oplossing te vinden en het afstaan van soevereiniteit aan internationale instanties om die oplossing vast te leggen.

I. Interdependentie en nationale belangen

Vroeger meende men dat de economische integratie geen doel was van de Unie, maar eerder een middel om tegemoet te komen aan de dreiging vanuit de Sovjet-Unie. Recenter is men de integratie gaan zien als een uiting van de commerciële belangen van de lidstaten. Europa is immers de meest economisch interdependente regio ter wereld en deze economische mobiliteit deed de slagkracht van nationaal beleid afnemen. Met andere woorden: economisch en monetaire samenwerking werd een middel om de controle nog enigszins te bewaren. De samenwerking bood bovendien een middel om te reageren op technologische en economische evoluties. De samenwerking moet dus gezien worden als een antwoord op binnenlandse problemen. Natuurlijk speelden echter ook buitenlandse factoren een rol, anders zou een simpel handelsakkoord hebben volstaan. Veel mensen zien ook de oostelijke uitbreiding in die zin als een veiligheidsgarantie die bovendien past binnen de Europese ideologie, uiteindelijk speelde echter ook socio-economische belangen een grote rol.

II. Asymmetrieën en de natuur van interstatelijk onderhandelen

De configuratie van nationale belangen laat steeds een onderhandelingsruimte van mogelijk te accepteren verdragen. Elke onderhandelingstheorie moet enerzijds de efficiëntie en anderzijds de gevolgen voor de verdeling van de onderhandelingen kunnen verklaren. Hier zijn twee hypothese: die van supranationale onderhandelingstheorieën en intergouvernementele onderhandelingstheorieën. De eerste theorie benadrukt de rol van visionaire supranationale figuren, bijvoorbeeld een Jean Monnet die een noodzakelijke invloed hebben op de onderhandelingen. De tweede hypothese stelt dat de nood aan samenwerking steeds de onderhandelingen in haar greep houdt. De lidstaten hebben hun eigen visionairen en instituten die hen bij de onderhandelingen helpen. Daar focust men op een correcte verdeling volgens relatieve macht. De intergouvernementele visie stelt dat de transactiekosten voor onderhandelingen laag liggen en staten het daarom alleen wel aankunnen, terwijl de supranationale visie deze veel hoger schat waardoor een leidende instantie nodig is om hen te verlagen. Onderzoek wees uit dat de rol van supranationale actoren overschat wordt en zij vaak de nationale belangen foutief inschatten. Het Witboek van Delors is een tegenvoorbeeld.

De uitkomst van onderhandelingen is vaak onderhevig aan een asymmetrische interdependentie. Staten zijn immers steeds gebonden aan het risico van een veto van een andere lidstaat. Dit akkoord moet dus voor elke staat meer voordeel opleveren dan het nadeel van een ‘exit’. Nieuwe lidstaten komen bovendien in een steeds zwakkere onderhandelingspositie en zullen veel moeten opgeven om te mogen toetreden.

III. Institutionele delegatie

In de traditionele visie gaven landen soevereiniteit op vanwege ideologische redenen; omdat ze, met andere woorden, in het Europese project geloofden. De Nieuwe Synthese trekt deze visie in twijfel: het zouden veeleer redenen van onzekerheid en positive-sum gains zijn die staten ertoe aanzetten hun soevereiniteit op te geven. De logica is instrumenteel, niet ideologisch.

De Nieuwe Synthese wordt door zowel neo-functionalisten als historische institutionalisten bekritiseert. Zij zien de Europese evolutie niet als een puur endogene respons op exogene veranderingen maar het resultaat van een spillover op twee manieren. Een sociale spillover waarbij voorgaande besluiten de nationale voorkeuren aanpassen en een politieke spillover waarbij supranationale beleidsmakers versterkt worden. Volgens historische institutionalisten zijn deze spillovers eigenlijk ongewild, waardoor het moeilijk is om te spreken van staten die kiezen voor Europa.

Europese “constitutional settlement”

Moravcsik is van mening dat de EU geen fundamentele verandering meer zal kennen ondanks positieve of negatieve spillovers. Critici zijn van mening dat het ondemocratisch karakter van de Unie voor een negatieve spillover zal zorgen, maar is de EU wel zo fundamenteel ondemocratisch?

Sommigen bekritiseren de constitutional settlement vanuit een libertaire positie; zij zien democratie (cf. Locke) als een medium om de (slanke) overheid onder controle te houden. In hun visie is Europa een bureaucratische “superstate” vol technocraten. De EU is echter al behoorlijk slank, met geen fiscaal beleid, taxen, leger, politie etc. Een constitutionele hervorming vereist de instemming van alle lidstaten en in die opvatting heeft ze zelfs een hogere graad van democratie dan de meeste lidstaten. Bovendien is de Europese beleidsruimte sterk beperkt door een orde van checks and balances en vele instituties. De Europese macht is zo grotendeels verdeeld over allerlei instanties: de Commissie, Raad, het Parlement, de nationale parlementen, belangengroepen, … om dan nog maar te zwijgen van de uitgebreide meerderheden die vereist zijn voor een doorsnee besluit. De EU is maar verantwoordelijk voor 10 tot 20% van de nationale regelgeving en een heel aantal beleidsdomeinen blijft door haar onaangeroerd.

De kritiek vanuit een pluralistische visie op democratie, met name dat Europa niet representatief zou zijn en niet tegemoetkomt aan de echte wensen van burgers is eveneens overdreven. Er zijn inderdaad allerlei instanties in de EU met uitzonderlijke individuele macht en bovendien wordt directe democratie niet hoog in het vaandel gedragen, maar er zijn wel twee middelen van democratisch controle die een serieus tegengewicht bieden: de directe verantwoording aan het Europees Parlement en de indirecte verantwoording aan de Raad van ministers. Het Parlement heeft de bevoegdheid om wetgeving weg te stemmen en ontwikkelde zich de laatste jaren als een belangrijke spreekbuis voor de belangen van Europese burgers. In de Raad van Ministers ontwikkelen nationale vertegenwoordigers zelf het beleid. Het belangrijkste is dat in deze twee instanties er volle transparantie is, wat niet eens het geval is in de meeste lidstaten. Sommigen zijn van mening dat Europa heel veel macht geeft aan onverkozen instanties, neem bijvoorbeeld de Centrale Bank of het ECJ, maar in feite is ook dit niet anders in de lidstaten zelf. Ook het gebrek aan sociaal beleid zorgt niet voor een negatieve spillover.

Voorstanders van een deliberatieve democratie vrezen dat de EU haar burgers passief maakt. Er zijn geen transnationale partijen en geen gedeelde identiteit die de participatie poogt te verhogen. Er zijn echter heel wat redenen om eraan te twijfelen dat dit voor een grotere support voor de Unie bij de bevolking zal leiden. Sowieso is de EU er niet populairder op geworden door haar toegenomen bevoegdheden en de participatiemogelijkheden worden nu al niet voldoende benut. Dit ligt niet aan de aard van die mogelijkheden zelf, maar omdat de bevolking gewoon niet geïnteresseerd is. Als men bijvoorbeeld kijkt naar wat de gemiddelde Europeaan belangrijke beleidsdomeinen vindt komt in de top 10 geen enkele Europese bevoegdheid terug. Bovendien is de kennis over Europa ondermaats waardoor enig referendum over Europa destructief zal blijken. De Europese grondwet probeert die kennis en identiteit wel te verschaffen. Opnieuw bleek dat er weinig publieke interesse was en nadat dit het wel kreeg konden maar enkelen uitleggen wat het project nu precies inhield. Het resultaat is een conservatief beleidsdocument aangevallen door een sterke golf van eurosceptici en niet gesteund door een pro-Europese, maar apathische bevolking.

Conclusie

De Europese constitutional settlement en haar policies blijven stabiel, in tegenstelling tot het constitutionele discours. We moeten accepteren dat de EU een politieke realiteit is die niet zo nodig moet evolueren. Het beste voor de EU is om haar buiten politiek te laten: een gedepolitiseerde EU is het machtigst. Het beleid van een Europa van resultaten bleek uiteindelijk al jaren te werken en er is daarom ook geen reden om hiervan af te stappen. Het grootste voordeel van de EU blijft dat ze inherent zo saai is.

ANARCHY IS WHAT STATES MAKE OF IT

ALEXANDER WENDT

Zowel neorealisten als neoliberalen nemen staten met een “self-intrest” als primaire actoren in hun analyse. Voor neorealisten is dit logisch aangezien ze een anarchistisch systeem vooropstellen waarin staten voornamelijk op zichzelf zijn aangewezen. Hierin is een centrale autoriteit of een collectieve veiligheidsgarantie niet van tel. Die wereld van “self-help” is exogeen gegeven en zal dus niet veranderen door interactie. Neoliberalen accepteren deze anarchie eveneens, maar zij denken dat hierin samenwerking wel moet mogelijk zijn. Sommige liberalen gaan nog verder en menen dat identiteit en belangen de structuur kunnen veranderen. Er bestaan sociale theorieën om identiteit en belangen te verklaren, namelijk het constructivisme, dat helemaal niet ver ligt van de interesse van liberalen in hoe instituten nationale belangen kunnen beïnvloeden. Wendt wil de twee disciplines daarom verbinden als antwoord op de stelling van neorealisten dat self-help gegeven is exogeen aan het proces. Volgens Wendt is er inderdaad ook een wereld van self-help, maar dit ligt niet aan de structuur, maar het proces. Samen met machtspolitiek is het maar gewoon een gevolg van anarchie, met andere woorden anarchie is eigenlijk maar wat staten ervan willen maken.

Anarchie en machtspolitiek

Klassieke realisten zien veel elementen van realisme als een gevolg van de menselijke natuur. Neorealisten zien het in dit licht ook als noodzakelijk dat wanneer er anarchie is staten op self-help en machtspolitiek zijn aangewezen.

Waltz verklaart het gedrag van staten binnen de anarchie vanuit normatieve principes, principes van differentiatie en verdeling van macht. Zonder input van identiteit en belangen voorspelt het model echte bitter weinig. Een fundamenteel principe in de politiek is dat staten nu eenmaal anders gaan reageren op vijanden dan op vrienden. Britse kernwapens zijn voor ons veel minder beangstigend dan Russische en dit hangt puur af van intersubjectieve verwachtingen en ideeën. Collectieve ideeën determineren met andere woorden de structuur die onze actoren stuurt. Identiteit is gelijkaardig, aangezien het evenzeer geconstrueerd wordt vanuit een collectief begrip. Dat is belangrijk aangezien de nationale belangen van een staat grotendeels gebaseerd zijn op haar identiteit. Belangenvorming is immers steeds gebaseerd op een dynamische sociale omgeving die steeds labels krijgen opgeplakt vanuit die identiteiten. Wanneer die labels wegvallen lijken staten niet meteen zeker wat ze moeten doen: kijk naar de VSA en Rusland na de val van de Sovjet-Unie.

Een institutie is een stabiele structuur van identiteiten en belangen. Ze bestaan maar in het verlengde van hoe actoren menen dat de wereld werkt. Self-help is een institutie, een van de velen die zou kunnen bestaan binnen anarchie. In een wereld van anarchie zou identiteit zich waarschijnlijk in de eerste plaats voornamelijk bezighouden met het vinden van veiligheid en of men dat kan is afhankelijk van de ander. Men kan dit negatief gaan omschrijven, dan komt men in een wereld waar winst voor de ene verlies voor de ander betekent, met andere woorden de realistische perceptie waarin collectieve actie nagenoeg onmogelijk is. Anderzijds zou men ook onverschillig kunnen staan ten aanzien van zijn eigen en andermans veiligheid. Staten zullen zich veeleer bezighouden met absolute winst in plaats van relatieve winst (ten opzichte van anderen) waardoor collectieve actie veel eerder mogelijk wordt. Dit is de neoliberale visie. Dit zijn beiden systemen van self-help aangezien staten hun veiligheid proberen te zien als een individuele verantwoordelijkheid. Dit staat in contrast met een coöperatief systeem waarbij de veiligheid van de ene als de verantwoordelijkheid van de ander wordt gezien. Dit is geen self-help omdat de veiligheid van de ene de veiligheid van allen is. In dit systeem worden doelen niet bereikt door relatieve macht, maar een gedeelde ideologische basis. Het drieledige model van Waltz moet dus nog een vierde vereiste krijgen: de intersubjectieve structuur van identiteit en belangen binnen het systeem. Zelf-hulp is met andere woorden een institutie en geen determinerend kenmerk van anarchie.

Een tweede principe binnen constructivisme is dat meningen over een te volgen beleidslijn maar kunnen ontstaan door interactie. Opvattingen over het zelf en de eigen belangen zijn ten dele afgespiegeld op anderen (looking-glass self). Anderzijds is het beeld van de ander vaak gevormd door de eerste sociale handeling, waarop een staat een verwachting vooropstelt die het toekomstige beleid zal verklaren. Herhaalde interactie zal leiden tot een stabiel begrip van elkaar en vaste concepten van het zelf en de ander. Voelt men zich meteen bedreigd zal men de andere eveneens bedreigen, wat tot een opgeklopte relatie kan leiden. Op deze wijze construeren we ook de sociale structuren die onze identiteit en belangen construeren. Een anarchie ontstaat dus niet met een veiligheidsprobleem, dit ontwikkelt zich gewoon binnen dat systeem waarna het moeilijk wordt dit nog te veranderen. Als landen zich in een situatie van self-help bevinden is dat dus grotendeels aan hun eigen handelingen te danken.

Wanneer een agressor opduikt zal dit logischerwijs worden beantwoord met verdediging, maar of die verdediging collectief dan wel individueel is hangt in grote mate af van de voorgaande relaties binnen het collectief en en de ambities van de agressor. Als de agressor zijn gedrag in grote mate afhangt van een interne aangelegenheid kan men niet anders dan deze harde lijn aanhouden, betreft het echter een actor die zich omwille van een systemische interactie agressief gedraagt, is een apeacementpolitiek veel mogelijker. De rol van een agressor in het creëren van een systeem van self-help is dus afhankelijk van de voorgaande interacties met anderen, zelfs al is de reden tot agressie exogeen aan het systeem.

Institutionele transformatie van machtspolitiek

Dat machtspolitiek sociaal geconstrueerd is betekent nog niet dat we het zomaar een andere vorm kunnen geven. Door sociale feiten blijft er immers aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag en staten zullen daar met moeite van afwijken. Een tweede reden is dat bepaalde actoren erbij gebaat zijn een relatief stabiele identiteit aan te houden om onzekerheid te vermijden. Op zulke wijze worden de belangen van staten geïnstitutionaliseerd en haast onwijzigbaar. Wendt geeft drie institutionele transformaties waarmee staten een Hobbesiaanse wereld van allen tegen allen – door henzelf gecreëerd - kunnen vermijden.

In een wereld in natuurtoestand bestaan er geen sociale normen die een staat rechtvaardigen buiten de verdeling van macht. Het begrip soevereiniteit geeft echter een sociale basis voor het bestaan en de individualiteit van staten. Dat staten territoriale eigendom hebben is een verregaand principe dat soms zelfs kan leiden tot oorlog, soevereiniteit is dan ook een breed gedragen concept. Iedere keer wanneer staten iets ondernemen in verband met soevereiniteit versterken ze het concept nog verder waardoor men vaak zelfs haar reikwijdte vergeet. Herhaalde sociale interactie creëert zo een institutie.

Dit vertelt ons nog niet waarom zulke nieuwe instituties nu precies opkomen. Volgens Wendt is dit in de eerste plaats door een veelheid aan acties die haar vormgeven en ten tweede doordat het systeem daarvoor onvoldoende correct bleek. Soevereiniteit had een verregaande impact: vanaf nu zou men nationale veiligheid opvatten als het beschermen van de eigen eigendom en grenzen. Bovendien zouden staten door het aanvaarden van de eigen soevereiniteit ook minder snel geneigd zijn die van anderen te ondermijnen. Dit zorgt ervoor dat staten maar soeverein zijn naarmate anderen hen ook als soeverein erkennen.

Samenwerking is in een natuurtoestand bijzonder moeilijk. Samenwerking is enkel nuttig als er effecten kunnen worden gerealiseerd die unilateraal niet konden. Er bestaan twee visies op samenwerking. In de traditionele speltheoretische analyse is de structuur van het spel (met name identiteit en belangen) exogeen aan de interactie en daarom verandert ze daarom niet. De normen die ontstaan uit een samenwerking zijn eveneens extern aan de samenwerking en zullen niet veranderen omdat de transactiekosten om er nieuwe te creëren te hoog zijn. De constructivistische visie op samenwerking aan de andere kant, zal kijken hoe de verwachting die ontstaan uit de samenwerking belangen en identiteiten kunnen aanpassen. Nieuwe instituties ontstaan door de internalisatie van zichzelf en het gedrag van anderen. Staten zullen hun eigen interesses zo omvormen zodat ze in lijn liggen met de collectieve belangen. De nieuwe instituties blijven evenwel moeilijk te veranderen, niet vanwege transactiekosten, maar simpelweg omdat ze de identiteit en belangen van staten vertegenwoordigen. De visie is dus veeleer cognitief, in tegenstelling tot de ‘behavioral’ analyse uit de speltheorie. Een voorbeeld in de interpretatie van deze twee theorieën is bijvoorbeeld de NAVO: volgens speltheoretische analyse zou deze na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ophouden te bestaan, omdat de institutie extern gegeven is en onveranderbaar; de constructivistische visie ziet een positieve interdependentie na 1950 waardoor een soort gedeelde identiteit is ontstaan waarbinnen staten hun belangen zien, omdat die net zo goed veranderen is het verlaten van de NAVO niet aan de orde.

Het veranderen van de structuur van identiteiten en belangen door samenwerking kent twee belemmeringen: ten eerste is het proces incrementeel en traag, ten tweede kan een evolutie door samenwerking niet werken als staten elkaar niet vertrouwen.

Wendt sluit af met een voorbeeld over hoe een competitief veiligheidssysteem kan veranderen in een coöperatief systeem. Hiervoor kijkt hij naar het verloop van “Het Nieuwe Denken” van Mikail Gorbatsjov, waarin het systeem in vier stappen veranderde. In een eerste fase werd de identitaire consensus van imperialisme, een idee van Lenin, steeds meer in vraag gesteld doordat duidelijk werd dat het eigen systeem zwakker dan dat van het westen was. Dit laatste gaf een incentive voor een rolverandering en een daaropvolgende dooi in de conflicten met het westen. Dit maakte een tweede stap mogelijk waarin werd gereflecteerd over oude ideeën over zichzelf en anderen. De derde stap voorzag in een reflectie van de anderen en de eigen belangen die het interactiesysteem in stand houden. In dit geval zou dit inhouden andere staten ervan te overtuigen dat men wel degelijk te vertrouwen is om zo het competitieve systeem te ondermijnen. Gorbatsjov deed dit door troepen ut Oost-Europa en Afghanistan terug te trekken. In een laatste fase is het belangrijk dat de staat ook “beloond” wordt voor haar verandering, met andere woorden dat het duidelijk wordt dat de nieuwe situatie beter is.

Conclusie

Sociale theorieën structureren de vragen die we stellen bij de internationale politiek, de vraag blijft dan met welke theorie we de beste vragen stellen. Dit artikel onderzocht vooral wat de invloed was van interacties op identiteit en de vorming van belangen. Wendt meent dat binnenlandse factoren hiervoor even belangrijk zijn dan systemische factoren. De tweede vraag is hoe verandering zou kunnen optreden als die interactie geïnstitutionaliseerd is.

ENGELSE SCHOOL

A WORLD WITHOUT SUPERPOWERS: DECENTRED GLOBALISM

BARRY BUZAN

Abstract

The category of superpower, as distinct from great power, has become naturalized in the discourses about international relations. This article argues that superpowers are a historically contingent phenomenon whose emergence rested on the huge inequality of power between the West and the rest of the world that developed during the 19th century. As this inequality diminishes, the most likely scenario for world politics is decentred globalism, in which there will be no superpowers, only great powers. The largest section of the article uses a framework of material and social factors to show why the US is unlikely to remain a superpower, and why China and the EU are unlikely to become superpowers. The following three sections use the same framework to look more briefly at why a world with only great powers is likely to take a more regionalized form; why this might produce a quite workable, decentralized, coexistence international society with some elements of cooperation; and what the possible downsides of a more regionalized international order might be, focusing particularly on the problem of regional hegemony. The conclusions offer five policy prescriptions for living in a decentred globalist world.

Inleiding

Door de tanende macht van de VSA reist de vraag hoe de toekomst binnen de internationale politiek eruit zal zien. Buzan argumenteert dat er geen nieuwe “super power” zal komen, maar eerder een wereld van regionale grootmachten, en dat dit bovendien niet slecht is. Op die manier stapt hij af van de (bi)polariteit van het neorealisme: Buzan maakt een onderscheid tussen “super power” en grootmacht. Een grootmacht is een staat wiens politieke, militaire, culturele en economische macht over een hele regio dominant is; een super power heeft zulke invloed over de hele wereld. Ten tweede betwijfelt hij de stelling dat grootmachten in conflicten zullen geraken om die dominantie van het hele systeem.

Waarom geen “super powers” meer?

Om de hypothese van Buzan te bevestigen moet om te beginnen worden gekeken of de VSA inderdaad geen super power meer zal zijn en anderzijds dat er niemand klaarstaat om die rol over te nemen. Om te meten of een staat al dan niet een grootmacht is kan men zowel een materialistische als een sociale analyse maken. Neorealist Waltz kent het label toe aan de staat met de mooiste cijfers, bijvoorbeeld op militair vlak. Hedley Bull start ook vanuit een materialistische basis, maar houdt eveneens rekening met hoe de staat zelf en degenen rondom hem die status interpreteren. Buzan combineert de twee en leidt daaruit al meteen af dat de EU alvast geen super power zal worden. Het voordeel dat Europa over de rest van de wereld had, namelijk een democratische en kapitalistische basis, is inmiddels overgenomen door de rest van de wereld. Er is daarom geen reden om te denken dat die de EU niet zal inhalen.

De Verenigde Staten

Op materialistisch vlak is de VSA werkelijk de enige speler om rekening mee te houden. Het probleem is echter dat haar relatieve aandeel steeds verder afneemt, ze is dus leider maar de rest haalt in. Het andere probleem is de sociale factor: er zijn redenen om te geloven dat de VSA haar rol als super power niet meer wilt opnemen (intern) en dat de rest/enkele delen van de wereld haar niet langer als de super power willen zien (extern). De VSA is voor WO II steeds een isolationistische staat geweest, hetgeen haar ligging ook toeliet, en het is niet onlogische om te denken dat zij die traditie zou willen verderzetten. Sinds het einde van de Koude Oorlog is het militair-politieke buitenlandbeleid van de VSA impopulairder geworden; het mist de ideologische basis die haar juist een voortrekkersrol gaf en leverde de VSA daarom meer vijanden dan vrienden. Ruggie spreekt bijvoorbeeld van ‘Amerikaans exceptionisme’: ze propagandeert regels die ze zelf niet volgt. In die zin taant de Amerikaanse macht op drie vlakken: de aanvaardbaarheid van haar beleid, haar ideologische attractiviteit en haar legitimiteit binnen de internationale gemeenschap.

1. Aanvaardbaarheid van beleid.De VSA heeft wel vaker voor de nodige controverse gezorgd bij haar bondgenoten. Na de Koude Oorlog was de ideologische machtsstrijd afgelopen en werd het de andere staten steeds duidelijker dat de VSA niet zo exceptioneel was, hetgeen in de verf werd gezet door het beleid van de egoïstische Bush-administratie. In haar poging om van de global war on terrorism de nieuwe Koude Oorlog te maken staat ze bovendien steeds meer alleen, maar dit is eveneens het geval voor haar beleid ten aanzien van het Midden-Oosten, China en klimaatopwarming.

In Europa heerst het idee dat het Midden-Oostenbeleid van de VSA grotendeels contraproductief is geweest. De interventie in Irak zorgde voor meer problemen dan oplossingen en in haar steun voor Israël heeft ze haast geen medestanders meer. In de Koude Oorlog zou ze met dit soort zaken nog kunnen wegkomen in naam van de strijd tegen het communisme, maar door de vele belangen in de regio is dit nu onmogelijk. Met betrekking tot China is het VSA-beleid evenzeer problematisch. De ‘heropening’ van dat land onder Amerikaanse impuls werd positief onthaald in de rest van de wereld, maar nu China’s macht blijft groeien probeert de VSA haar steeds vaker tegen te zitten. Moest China nu een bedreiging zijn, bv. op militair vlak, zou ze de rest van de wereld daarin mee krijgen. De opwarming van de aarde is wel z’n globaal probleem, maar hier wil de VSA zelf niet in mee gaan. Binnenlands scepticisme en de gehechtheid aan een dure levensstijl maken het een impopulair thema.

2. De VSA als ideologische modelstaat.Als voorvechter van mensenrecht moest de VSA haar rol van hegemon de laatste jaren volledig lossen door de vele excessen in de war on terrorism en haar tegenstand tegen het Internationaal Strafhof. Ook op economisch vlak is de grote Amerikaanse schuldenberg zeker geen leidend voorbeeld en in handel is ze al jaren geen wereldleider meer. Bovendien heeft ze de wereld in een economische crisis doen storten en doet ze voorlopig weinig om dit probleem aan te pakken.

3. Internationale legitimiteit.Het derde probleem ligt niet zozeer bij de VSA zelf dan wel de groeiende weerstand binnen de internationale gemeenschap tegen een wereldleider. De concentratie van alle macht in één hand gaat in tegen de traditionele bronnen van legitimiteit: balans en verdeling. Hoewel de VSA dus aan haar rol wil vasthouden zal in de rest van de wereld het anti-hegemonische denken alsmaar toenemen, zonder dat de VSA er veel aan kan doen.

China

Als de VSA geen supermacht meer is, wat houdt China dan tegen de nieuwe te worden? Materieel heeft ze de snelst groeiende economie en het potentieel om de status van super power te bereiken. Ook zij krijgt echter te maken met de “rise of the rest”, waardoor haar relatieve aandeel uiteindelijk zal afnemen. Een tweede belemmering is haar sociale macht: ze moet haar status van super power nog bereiken en op dat vlak lijkt ze niet veel zieltjes te kunnen winnen. Intern is het land verdeeld tussen nationalisten die erop gebrand zijn de status van super power te verwerven, aan de andere kant is er de pragmatische lijn van leiders als Deng en Hu die ervan uitgaan dat China maar beter low profile kan blijven in haar opkomst. Zij streven een defensief beleid na op buitenlands vlak met een sterke focus op binnenlandse ontwikkeling. Extern is het grootste probleem dat zij geen sterke bondgenoten heeft buiten haar ietwat koude en conventionele partnerschap met Rusland.

1. Aanvaardbaarheid van beleid.Het buitenlands beleid van China is veeleer regionaal georiënteerd. Het beleid dat verder reikt is regelmatig controversieel in het westen, maar kan op steun rekenen in andere delen van de wereld. Op vlak van milieubescherming blijft ze net als de VSA gevangen door interne belangen. Internationaal heeft China te weinig legitimiteit, ten dele omdat het er zelf nog niet uit is welk dat beleid moet zijn. Als China wil groeien naar de status van super power moet het een model en visie voorstaan dat de anderen benijden. Als ideologische outlier in de wereld zal dit haast onmogelijk zijn.

2. China als ideologische modelstaat.De grote sterkte van de VSA als super power was haar ideologische succes. China’s autoritaire model is theoretisch erg aantrekkelijk, maar lijkt niet duurzaam noch coherent. Bovendien lijkt het enkel gemaakt voor een Chinese maatschappij.

3. Internationale legitimiteit.De VSA draagt nog steeds een deel van de internationale legitimiteit over uit de Koude Oorlog en Wereldoorlog II, China heeft geen zo’n basis.

De Europese Unie

Op materieel vlak scoort de EU goed met een stabiele en sterke economie die allicht die van de VSA zal voorbijgaan. Toch zijn er veel belemmeringen, bijvoorbeeld met betrekking tot militaire capaciteiten. Op sociaal vlak staat ze er eveneens goed voor: ze draagt veel legitimiteit als model voor sociale democratie, veel minder extreem dan het Amerikaanse neoliberalisme en Chinese autoritarisme. Haar buitenlands beleid is goed en ze heeft op Rusland na geen vijanden. Bovendien dient ze als model voor veel regionale integratieprojecten en willen nagenoeg al haar buurlanden toetreden.

Ondanks deze vele kwaliteiten ligt het grote probleem in haar interne politiek: er is geen politieke of maatschappelijke wil voor een sterkere EU in buitenlands beleid. Ze wil met andere woorden ook geen rol spelen en dat uit zich in het verdeelde leiderschap. Realisten zijn bovendien niet zeker of het ooit de rol zal kunnen opnemen omdat de EU niet eens een staat is, al is dit in een geglobaliseerde wereld misschien niet meteen een vereiste.

Waarom regionale wereldorde waarschijnlijk is

Er is geen twijfel mogelijk dat er in de toekomst een veel vlakkere machtsbalans zal optreden. De macht van de VSA is al lang tanende, initieel door de heropleving van Europa en later door die van Japan. Naarmate de modernisering de overige gebieden in de wereld bereikt zullen andere staten volgen. Zoals bleek uit Vietnam, Somalië en Afghanistan slagen grootmachten er niet meer in om zelfs de kleinste staten te bestrijden, en Iran, Noord-Korea en Pakistan bewijzen des te meer dat de kleintjes zelfs een grote dreiging kunnen vormen. De sociale basis voor een regionale wereldorde ligt in het anti-hegemonisch denken van de voorgaande paragrafen. De steun voor de VSA als wereldleider verkleint met de dag en na de financiële crisis is haar model even onaantrekkelijk als het communisme.

Waarom we ons geen zorgen moeten maken

Het westen verliest inderdaad steeds meer macht, maar niemand wil de rol van haar overnemen. De sterkst groeiende staten blijven voorlopig ook erg defensief georiënteerd, waardoor een conflict onwaarschijnlijk lijkt. Er bestaan ook geen grote ideologische of racistische verschillen die hiertoe aanleiding kunnen geven. Men kan zich afvragen of een multipolaire wereld nog wel efficiënt kan omgaan met grote problematieken, de meeste instituten zoals soevereiniteit zijn inmiddels echter al diep gesocialiseerd waardoor een leidende staat misschien niet meer nodig is. Deze gedeelde instituten kunnen de verlaagde managementcapaciteiten ten dele uitbalanceren. De wereld zou minder gedomineerd worden door het westen en zo al een deel van de problemen, bv. rond terrorisme, oplossen.

Nadelen?

Het zou gevaarlijk zijn moesten staten vechten om de status van super power, maar dit lijkt dus onwaarschijnlijk. Binnen een regio kan dit eventueel wel tussen enkele grootmachten, zeker in Azië, maar de afkeer van het imperialisme is globaal. Wat wel een probleem is is de vrees van landen om hun soevereiniteit te verliezen en de facto een vazalstaat te worden, zoals bijvoorbeeld in geval van Vietnam en China. Anti-hegemonisch denken kan immers ook regionaal werken en in sommige regio’s kan dit gevaarlijk worden. Er kunnen eveneens zones zijn, zoals Afrika en het Midden-Oosten, waar geen enkele staat een hegemonie kan verkrijgen.

Conclusie

Buzan vormt een derde weg tussen zij de denken dat de VSA haar rol als wereldleider moet behouden en degenen die haar leider willen zien zijn van een multipolaire wereld. Deze nieuwe visie rekent op een eerlijke globale machtsverdeling en anti-hegemonisch denken die een co-existentie tussen verschillende regionale grootmachten mogelijk maakt. De VSA moet haar concurrenten niet bestrijden omdat er geen zijn en haar status ten tweede toch onhoudbaar is. De ideologisch debatten kunnen beter ophouden; er moet een periode van experimenteren komen om het beste model uit te zoeken. Grootmachten moeten zich focussen op hun eigen regio’s en manieren om hier stabiliteit te creëren, dat maakt deel uit van het decentrale globalisme. Aan de andere kant kunnen al deze grootmachten maar beter uit denken wat ze wel gemeen hebben om zo een internationale gemeenschap uit te bouwen waar ideeën naast elkaar vredevol kunnen bestaan.

INTERNATIONALE POLITIEKE THEORIE

THE NEW AGENDA

DAVID HELD

De weg naar een globaal verbond: mondiale sociale democratie

Globalisering reikt veel verder dan enkel economie. Om die reden werd soevereiniteit de afgelopen jaren grondig herdacht en kwam men tot een begrip van internationalisme: gelijke rechten, politieke status en verleden van alle mensen. Deze kosmopolitische waarden leven ook door in allerlei instituties van global governance die de wereldorde determineren. Globale sociale democratie probeert socialisme te combineren met deze nieuwe wereldorde. Nationale sociale democratie kan immers niet meer tegemoetkomen aan de vele eisen die ze zichzelf voorop legt. Op internationaal vlak poogt zij zo transparantie, accountability en democratie in global governance te bereiken, naast een rechtvaardige economie. Om dit te bereiken zal een coalitie moeten gevormd worden tussen Amerikaanse liberalen, Europeanen en diverse NGO’s. Enkele van haar ideeën: het reguleren van internationale markten, ontwikkeling promoten (bv. door ontwikkelingslanden een grotere stem in de WTO te geven), schulden wegschelden, zeker voor onderwijs en gezondheidsprojecten, een representatieve VNVR en een sterker ECOSOC, een IGO voor klimaat, wereldwijde arbeids- en milieustandaarden, een uitbreiding van internationale strafhoven voor mensenrechten en sterkere peacekeepingmachten. Deze idealen moeten als volgt worden gerealiseerd:

· De EU moet zorgen voor een multilaterale wereldorde, geen multipolaire waarin iedereen zijn nationale belangen nastreeft;

· De EU moet haar defensieluik versterken;

· De VSA moet accepteren dat haar langetermijn doelen enkel met behulp van anderen kan worden gerealiseerd;

· Ontwikkelingslanden moeten standaarden van transparantie en good governance aanvaarden in ruil voor hulp;

· IGOs moeten meer namens de hele bevolking pogen te spreken in plaats van particuliere interesses;

· Regionale actoren moeten open blijven staan voor uitbreiding;

· Nationale overheden moeten meer in dialoog gaan met supranationale instanties.

Mensen willen globalisering wel aanvaarden, maar enkel met respect voor lokale tradities en een veilige sociale omgeving.

High stakes

Globalisering is evenzeer een gevaar: het articuleert de verschillen tussen mensen. Dat bevestigt nog eens de nood voor een globale sociale democratie

Kosmopolitische principes

Internationalisme valt grotendeels samen met de principes van kosmopolitisme. Dat gaat in de eerste plaats uit van de fundamentele basis dat alle mensen gelijk zijn ongeacht hun afkomst. Dit principe is nu al de basis van het internationaal recht, het ICC en vele andere internationale instituten. Kosmopolitisme verwijst in de tweede plaats naar politieke regulering die rechten creëert buiten nationale spanwijdte. In totaal liggen acht principes aan de basis van de stroming. Het eerste is dat de ultieme eenheden voor ethische afweging steeds mensen zijn, dus geen staten of andere collectiviteiten. Elke mens is daarin even veel waard (individualistisch moreel egalitarisme) wat niet inhoudt dat er geen verschillen mogen zijn. Het tweede principe erkent de mens als actor die zelf zijn leven zin kan geven en invullen. Het geeft het recht om een eigen koers te varen, maar anderzijds de plicht om die van anderen te respecteren. Het derde principe sluit daarop aan: de mens heeft een verantwoordelijkheid en toerekeningsvatbaarheid. Mensen maken andere keuzes en die moeten gerespecteerd worden en anderzijds aan hem toegerekend. Het vierde principe vereist de instemming van mensen bij besluiten over hen, wat aansluit bij principe zes dat vooropstelt dat een legitiem besluit maar kan voortkomen uit de instemming van burgers. Het zesde principe is dat van inclusie en subsidiariteit dat iedereen even veel kansen verleent om het beleid te beïnvloeden. Het beleid moet daarom zo dicht mogelijk bij de burger komen, hoewel dit niet uitsluit dat sommige problemen enkel transnationaal kunnen worden opgelost. Het zevende principe is dat van sociale rechtvaardigheid, dat eveneens het vermijden van schade vooropstelt. Het achtste principe is het principe van duurzaamheid dat alle keuzes verbiedt die de keuzes van de toekomstige relaties vermindert of belemmert.

De acht principes vallen in drie clusters: 1 tot 3 behandelt het individu, 4 tot 6 het individu in zijn omgeving en 7 tot 8 een framework voor beleid. Kosmopolitisme is niet enkel een westers idee, maar wordt overal in de wereld gedragen en zijn daarom de ethische basis voor de globale sociale democratie.

INTERNATIONALE POLITIEKE ECONOMIE

THE PERSISTENT MYTH OF LOST HEGEMONY

SUSAN STRANGE

De Zweedse econoom Myrdal vroeg zich af waarom sociale wetenschappers hun analyse nooit of zichzelf toepasten, bijvoorbeeld waarom ze bepaalde onderwerpen vaker aanhalen dan anderen. Dit geldt evenzeer voor de academici binnen de internationale relaties. Strange wil meer aandacht voor de sociologie van het onderzoek naar internationale relaties en stelt daarbij vast dat er enkele mythes bestaan die uiteindelijk niet veel basis hebben, bijvoorbeeld de mythe van Amerika’s tanende macht. Dit narratief kan gevaarlijk zijn omdat het vele mensen pessimistisch maakt en omdat de VSA in haar queeste naar het heroveren van haar status steeds minder bereid lijkt tot samenwerking.

Andere mythes zijn die van anarchie en de speltheorie. Die laatste is volgens Strange zeker onwaar in de wereld van de internationale politieke economie, daar de motieven van staten veel verder gaan en vaak een coherent geheel van onderhandelingen betreft. In dit artikel beperkt Strange zich echter louter tot de mythe van de verloren Amerikaanse hegemonie: heeft de VSA haar status verloren en is dit een oorzaak voor de instabiliteit in de internationale politieke economie?

Strange komt tot vijf conclusies:

1. Het internationale systeem is fundamenteel veranderd, niet om politieke, maar economische redenen.

2. In deze context is structurele macht belangrijker dan relationele, en over die eerste beschikt de VSA nog voldoende.

3. Het conflict in het buitenlands beleid van de VSA tussen liberalisme en realisme wordt momenteel gewonnen door realisme (dus: politieke en militaire nationale belangen).

4. De economische crisis werd veroorzaakt door een destructief gebruik van hegemonische structurele macht.

5. De oplossing voor de crisis ligt dan ook bij de VSA en niet bij internationale organisaties.

Oorsprong

De hegemonische stabiliteitstheorie is de maatstaf om een hegemon te identificeren. Daarin wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de macht van een staat en anderzijds haar controle over de uitkomst. De ‘sterke’ versie van de theorie ziet in de hegemon een staat die orde en stabiliteit in de wereldeconomie brengt door middel van power-enforcement op zwakkere staten. De ‘zwakke’ variant ziet een hegemon wel als een katalysator, maar niet de enige factor voor het bewaren van wereldorde.

Bepaalde economen zien een hegemon als een bron van stabiliteit voor de internationale financiële markten. Hij zou de open markt garanderen, een stabiele investeringsgraad aanhouden en een lener in laatste instantie zijn voor banken en staten in nood. De crisis van de jaren 30’ zou zo veroorzaakt zijn doordat het VK deze rol niet langer kon aanhouden en de VSA niet wilde. Volgens econoom Gilpin mocht de VSA overigens niet dezelfde fout maken als het VK door te veel in het buitenland te investeren en het eigen achterland te verwaarlozen. Olson ziet bij de VSA nu bijvoorbeeld al dat andere staten als free riders misbruik van haar maken. Omwille van deze privileges zullen de bondgenoten van de VSA dan ook niet snel geneigd zijn een andere hegemon te aanvaarden. Hegemonen bouwen vaak een internationaal systeem uit volgens hun normen en economische belangen dat ze, wanneer hun macht daalt, verlaten om meer op interne aangelegenheden te focussen.

Geschiedenis

De meeste auteurs menen dat hegemonen bij het toppunt van hun macht liberaal van aard zijn. Dit zorgde ervoor dat de andere staten liberaler werden dan ze in feite zouden zijn geweest. Recent onderzoek heeft deze basishypothese van de hegemonische stabiliteittheorie weerlegd. Niet alleen is het duidelijk dat de VK niet steeds liberaal beleid heeft gevoerd, het is eveneens ook niet zo dat de VSA dit heeft gedaan, noch aan anderen opgelegd (bv. weigering Havana-charter te ondertekenen). Vele Europese staten waren zo gekant tegen de Amerikaanse liberaliseringsgolf van na de oorlog en de VSA zelf weigerde handel met communistische landen. Liberalisme was dus verre van een Amerikaanse doctrine, eerder een ideologie die ze aannam wanneer het haar uitkwam.

Macht en welvaart

Tussen de hegemoniestatus van het VK en de VSA bestond een belangrijk systemisch verschil: de economische wereld van de 19de eeuw die grotendeels op soevereiniteit was gebaseerd, is inmiddels veel dynamischer geworden. Het competitieve spel is veranderd: in plaats van een strijd voor land (hetgeen rijkdom betekende) bestrijden landen elkaar nu om het hoogste marktaandeel om economische zekerheid te bekomen.

Vier aspecten van structurele macht

Structurele macht is de macht om de structuren van de globale politieke economie waarbinnen andere staten en hun politieke instituten opereren te bepalen. Structurele macht is niet te vinden in een enkele structuur, maar steunt op vier onderling gerelateerde structuren. De structurele macht ligt bij de staat die de controle heeft over de veiligheid van anderen, die de productie controleert, die de financiële structuur bepaalt en die de meeste invloed op kennis heeft (hetzij technologisch, hetzij religieus, etc. ). De VSA heeft alvast die controle over veiligheid met het grootste nucleaire arsenaal ter wereld en als veruit sterkste staat binnen de NAVO. Ook in productie leidt ze de dans; het is belangrijk daar niet enkel te kijken naar de goederen die fysiek geproduceerd worden in de VSA, maar eveneens naar de bedrijven onder Amerikaanse vlag. Dit betekent dat de productie zou kunnen dalen, maar het blijven Amerikaanse bedrijven die instaan voor die productie. De VSA is eveneens de leider in de menselijke kennis waardoor het die status allicht in stand zal houden. Het derde luik is minstens even indrukwekkend: de VSA beheerst de financiële stromen door haar controle over de meest dominante munt, de dollar. Amerikaanse banken waren verantwoordelijk voor ¾ van de investeringen en die gebeurde allemaal in dollar. Tenslotte heerst Amerika ook met betrekking tot de kennisstructuren en de kanalen waarmee ze deze uit. De reden hiervoor ligt ten eerste in de uniforme standaarden die het land oplegt, hetgeen aanzet tot specialisatie. Ten tweede is het hoge defensiebudget van de VSA een katalysator voor innovatie en nieuwe ontwikkelingen. Bijvoorbeeld kennis in informatica ontstond door investeringen in defensie. De derde factor is de grootte en rijkdom van Amerikaanse universiteiten.

Dat de VSA haar dominantie behoudt op deze vier domeinen wijst erop dat ze haar status van hegemon verre van kwijt is. Dat bovendien haar grootste concurrentie militair weinig voorstelt betekent dat de VSA deze positie nog even kan aanhouden.

Een alternatieve verklaring

Nu het duidelijk is waarom de VSA de supermacht blijft, rest Strange nog het probleem van de internationale economische wanorde: als de VSA nog steeds haar dominante status heeft, waarom kan ze de orde dan niet bewaren? Strange meent dat de erosie van internationale regimes niet voortkomt uit een verzwakte rol in het internationaal systeem, maar door het Amerikaanse politieke systeem. Stabiliteit vereist immers een mate van continuïteit vanwege de leidende actor en die kan de VSA niet (meer) leveren, zowel door constitutionele provisies als de polarisatie van partijen. Dit zorgt voor een incoherent beleid waarbij soms een hele beleidslijn wordt omgekeerd. Dit is niet eens het gevolg van een instabiel politiek systeem waarbij een regering bijvoorbeeld kan vallen en een coalitiepartner over blocking power beschikt. Het debat tussen realisme en liberalisme in het Amerikaanse buitenlandse beleid ontgaat voorlopig bovendien de meeste Amerikaanse academici. Zij lezen vaak enkel Engelstalige artikels en zijn daarmee niet bekend met hoe de rest van de wereld hun beleid ervaart. Vandaar ook dat de mythe van de verloren Amerikaanse hegemonie standhoudt.

POST-POSITIVISME

“WALLS” BETWEEN “THOSE PEOPLE”? CONTRASTING PERSPECTIVES ON WORLD POLITICS

PETER J. KATZENSTEIN

Beschaving: pluralistisch in een globale oecumene of unitair in een internationaal systeem?

Katzenstein ziet beschaving als een globale gemeenschap van mensen. Een alternatieve visie ziet dat veel enger: als unitaire culturele programma’s gebouwd rond enkele kernwaarden. Lange tijd was deze laatste de enige versie, waarbij de Europese beschaving als superieur werd gezien.

Katzenstein verdedigt zijn pluralistische visie als volgt: kijk naar de Islam, is dit een beschaving? Er bestaan immers zowel islamitische culturen in China als Marokko en beiden zijn erg verschillend. Bovendien is zo maar 15% van de moslims Arabier. De unitaire visie van onder meer Huntington ziet homogene beschavingen met onveranderlijke identiteiten. De realiteit wijst echter uit dat de meeste conflicten tegenwoordig binnen een beschaving in plaats van tussen een gebeuren.

Pluralistische beschavingen zijn ingebed in een soort ‘wereldcultuur’. Deze heeft geen gedeelde standaard maar een aantal los gedefinieerde waarden. Maar waarom is iedereen dan mee met het idee van homogene culturen? Door politieke retoriek en de simpliciteit waarmee het wordt voorgesteld. Simplificaties zijn aantrekkelijk op momenten van grote onzekerheid.

Amerika: één of meerdere tradities?

Hartz heeft een unieke visie op Amerikaanse cultuur. Doordat het land nooit het feodale systeem meemaakte kent het ook geen voedingsbodem voor socialisme. Het resultaat is een tirannieke liberale traditie. Veel rechtse denkers halen bovendien de grondwet nog aan als een unieke Amerikaanse determinant, in feite is deze echter niet zo verschillend als die van andere culturen. Huntington ziet de protestantse wortels van de Amerikanen als de lijm tussen dit alles. Opnieuw is die visie te simplistisch: Amerika kende verschillende godsdienstige groeperingen bij haar ontstaan en heeft die ook altijd gehad.

Muren: implicaties voor de analyse van wereldpolitiek en het Amerikaans buitenlands beleid

Waarom is de notie van pluralistische beschavingen in een globale oecumene en de meerdere Amerikaanse tradities van belang voor de analyse van het Amerikaans buitenlands beleid? Multitraditionele Amerikaanse denkers zien in haar buitenlands beleid verschillende scholen. Een beeld van verschillende stromingen in het buitenlands beleid is veel logischer dan een dat zich maar op een traditie focust: het biedt de kans zaken in een ander perspectief te zien. Toch heeft ook deze visie te weinig aandacht gehad voor racisme, net als liberalisme en realisme. Woodrow Wilson liet zich zo door ras leiden bij het uittekenen van de nieuwe wereldorde na Wereldoorlog I, maar ook later die eeuw speelde ras nog steeds een prominente rol in het Amerikaans buitenlands beleid. Waarom werd de genocide in Rwanda bijvoorbeeld simpelweg genegeerd en die in Kosovo niet?

Evenwel is het veranderende beleid een gevolg van een meer multiraciale visie binnen de globale oecumene. Na Wereldoorlog II stond deze betrekkelijk positiever ten aanzien van minderheden en dekolonisatie. Deze shift maakte bijvoorbeeld ook het presidentschap van Obama mogelijk. Een tweede oorzaak is het dalende belang van “The South” in de politiek.

“Those People”

Theorieën van multitraditionele samenlevingen vatten het Amerikaanse beleid beter samen dan realisme en unitaire theorieën. Die unitaire theorieën zijn eigenlijk niet meer dan een verderzetting van een 19de eeuwse wereldvisie.

SOVEREIGNTY AND THE UFO

ALEXANDER WENDT EN RAYMOND DUVALL

Een antropocentrische soevereiniteit

Soevereiniteit is een gecontesteerd begrip in de literatuur. Over één ding is men het echter eens: het is een term die enkel voor mensen van toepassing is, dieren en de natuur hebben niet de cognitieve capaciteiten om soeverein te zijn. Debatten over soevereiniteit zijn dus steeds horizontaal, refererend naar mensen en hun instituties, en nooit verticaal.

Op sommige domeinen wordt deze menselijke dominantie in vraag gesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot dierenrechten en intelligent design (God als schepper van Natuur). Dit raakt echter niet aan de kern van soevereiniteit, namelijk dat het mensen zijn die haar draagwijdte bepalen. Dit heeft enorme politieke gevolgen: het betekent bijvoorbeeld dat enkel mensen soeverein kunnen zijn. In dit artikel worden de limieten van deze afgrenzing onderzocht.

Een verwarrend taboe

Sinds 1947 werden wereldwijd 100 000 Ufo’s gerapporteerd, maar geen van hen werd werkelijk serieus onderzocht. Het zijn als het ware ‘non-objecten’, zaken die ongeïdentificeerd zijn en daarom ook niet gezien en daarom genegeerd. De maatschappij benadert Ufo’s als per definitie onwaar, de politiek moet er dus ook geen energie in steken. Er is een Ufo-taboe, ook al omdat we de meeste verschijningen rationeel kunnen verklaren.

Toch is dit enigszins vreemd. Ten eerste is het waarschijnlijk dat wanneer een van de objecten toch een Ufo zou zijn dit de grootste menselijke ontdekking in de geschiedenis zou zijn, waardoor we zelfs de kleinste kans moeten onderzoeken. Ten tweede zijn Ufo’s een bedreiging en staten zijn geneigd alles wat ze kunnen te verveiligen. Ten derde onderzoeken mensen alles, waarom dan niet deze Ufo’s? Er is met andere woorden een taboe en het is bijzonder dat staten hier niet tegen ageren.

Hypothese en argumentatie

De auteurs menen dat het Ufo-taboe functioneel noodzakelijk is door de antropocentrische opvatting van moderne soevereiniteit. Staten werken via biopolitiek waarmee ze de condities van het menselijk leven proberen te bepalen. Ufo’s gaan die antropocentrische soevereiniteit voorbij en kunnen daarom niet in vraag worden gesteld zonder die soevereiniteit zelf in vraag te stellen. In die zin is het niet zo dat we de vraag niet mogen stellen, het kan gewoon niet zonder het systeem fundamenteel om te gooien. Als realistische entiteiten willen staten en de wetenschap zich ook niet bezighouden met zaken die niet rationeel begrepen of gekend kunnen worden. Dit is echter problematisch, vergelijk het met een wetenschapper die religie onderzoekt maar er principieel vanuit gaat dat God niet bestaat, dat is geen eerlijk onderzoek. Er is bovendien nog een belangrijk verschil: God is een bovennatuurlijk fenomeen, Ufo’s blijven in se nog hypothetisch.

Bewijs van onwetendheid

De hypothese is dat het Ufo-taboe veeleer een politiek dan wetenschappelijke keuze is. Geen enkel wetenschappelijk onderzoek sluit het bestaan van Ufo’s immers uit en daarmee riskeren we een Type-II fout: het verwerpen van een ware assumptie.

Er is geen fysiek bewijs voor Ufo’s, maar wel indirect bewijs. Dat wil zeggen: anomalieën waarvoor geen verklaring bestaat, maar waarvoor het bestaan van Ufo’s wel een verklaring zou kunnen zijn. Er zijn wel getuigenissen, maar deze worden als wetenschappelijk problematisch afgeschreven. Toch spelen getuigenissen doorgaans een belangrijke rol in het recht en de sociale wetenschap. Dat alles geeft uiteraard niet genoeg om Ufo’s te bewijzen, maar geeft het daarom voldoende om ze af te wijzen.

Ufo-scepticisme rust op de a priori assumptie dat hun bestaan onmogelijk is. Hiervoor geeft men vier argumenten. Ten eerste is er het Darwinisme dat een evolutie op basis van willekeur vooropstelt; de kansen voor het vinden van buitenlands leven zoals het onze wordt daarmee gereduceerd tot 0. Neo-Darwinisten zijn het daarmee alvast niet eens: zij menen dat de natuur tendeert meer complexe levensvormen te construeren en volledige willekeur daarmee niet vaststaat. Een tweede argument stelt dat als er intelligente levensvormen zouden bestaan, ze hier simpelweg niet kunnen geraken. Het zou 4500 jaar duren voor een buitenaards wezen om hier te geraken vanuit de dichtstbijzijnde ster op lichtsnelheid. Het idee is dat aangezien ze hier nog niet zijn, het ook betekent dat er niemand de capaciteiten heeft ons te bereiken. Er zijn evenwel twijfels over het absolute karakter van lichtsnelheid. Via zwarte gaten zou eventueel een soort teleportatie mogelijk zijn en aangezien mensen steeds evolueren zou dit voor andere wezens zeker ook moeten kunnen. Een derde argument sluit erop aan: als aliens bestaan zouden ze zich al hebben voorgesteld. Ook dit hoeft niet te kloppen; het zou kunnen dat ze ons in quarantaine houden voor onderzoek of een soort niet-interventiebeleid hanteren om ons te beschermen tegen een te grote schok. Het laatste argument meent dat een eventueel bestaan inmiddels wel geweten zou zijn door overheden, maar dat zij dit niet willen toegeven. Dit is een vreemde hypothese aangezien noch staten, noch de aliens hier in feite iets mee te winnen hebben.

Antropocentrisme en Ufo-onwetendheid

De meeste politicologen zien de overheid als een gegeven object, Foucault daarentegen ziet het eerder als een regime van gebruiken waarmee de bevolking wordt gereguleerd. Het object van de overheid is zo niet langer de loyaliteit aan een staat of koning, maar het reguleren van de levensomstandigheden van de bevolking (bio-macht). Daarmee zien we allerlei initiatieven (onderwijs, welzijn, moraliteit, …) gericht op het creëren van een gelukkig leven voor een bevolking.

Een tweede kenmerk is dat beleid en wetenschap nauw verweven zijn geraakt. De staat verleent wetenschap haar financiering en basis en wetenschap helpt anderzijds bij de uittekening van het beleid. Er is echter een belangrijk verschil dat ook haar gevolgen heeft voor het bondgenootschap van de twee inzake Ufo’s: wetenschap richt zich op een evoluerende waarheid terwijl de staat op zoek gaat naar hapklare werkelijkheid. Dit is vaak problematisch omdat er regelmatig situaties ontglippen aan het uitgewerkte kader van een overheid. Deze “states of exception” zijn potentialiteiten, die zowel problematisch kunnen zijn als de wet helpen bij haar afbakening. Soeverein is dan ook diegenen die deze uitzonderingen bepaalt; de uitzondering is dan ook een fundamentele basis voor de wet waardoor het zowel binnen als buiten soevereiniteit valt.

Wanneer de grenzen van soevereiniteit bloot komen te liggen reageert een staat vaak met verveiliging. In die zin zijn Ufo’s bijzonder: ze zijn niet enkel niet verveiligd, maar ook niet onderzocht. Het probleem is deels dat de dreiging van een Ufo zo groot zou zijn dat staten niet anders kunnen dan toegeven dat dit de grenzen van hun capaciteiten bereikt en zij bijgevolg niet kunnen ageren. Anderzijds levert het een probleem op voor de moderne antropocentrische visie op soevereiniteit. Omdat elke vorm van politieke macht op deze notie berust moet ze in stand worden gehouden. Dat zal ook zo blijven tot de wetenschap met een alternatief komt. Wanneer een Ufo opduikt zal deze zekerheid wegvallen omdat we het niet in ons statelijk kader kunnen passen. Het zal onmogelijk zijn zulk probleem als een uitzondering te definiëren. Derrida spreek van een “onbeslisbaarheid”: iets dat niet binnen een kader of dichotomie past omdat het beide categorieën tegelijk is. Een onbeslisbaarheid vereist paradoxaal genoeg dat een beslissing wordt genomen, terwijl dit inherent onmogelijk is. Die beslissing (van uitzondering) is nochtans vereist, maar een beslissing vereist dan weer dan men het probleem kent en erkent. Samengevat:

This suggests that we need to look more closely at the moment of transition from undecidability to the decision, or what Derrida calls the “logic of the palisade,” which in this case does not seem to be automatic. More specifically, we propose that the UFO compels a decision that, by the modern sovereign at least, cannot be made. The reason is the particular character of the UFO’s undecidability, at once potentially objective and subjective, each pole of which poses a metaphysical challenge to anthropocentric rule.

Met andere woorden: Ufo’s vormen een bedreiging voor de soevereiniteit om dat ze onkenbaar zijn. De basis van die soevereiniteit ligt nu net in het erkennen van uitzonderingen. Ufo’s kunnen dus niet ongeïdentificeerd blijven zonder moderne soevereiniteit zelf in vraag te stellen. Ufo-scepticisme is daarom een vorm van ontkenning: de soeverein zal haar nooit willen erkennen uit vrees voor wat het over zichzelf zou vertellen.

Overheidsbeleid en het Ufo-taboe

Tot hiertoe werd gefocust op het ‘waarom’ van het Ufo-taboe, daarmee is echter nog niets gezegd over het ‘hoe’. Overheden doen hun best om Ufo’s zo gekend te maken, zonder uiteindelijk uit te zoeken wat ze zijn. Dit doet ze bijvoorbeeld autoritair, door te claimen dat ze niet bestaan (bv. US Airforce), door onderzoeken met als apriori assuptie dat Ufo’s niet bestaan, geheimhouding en ‘discipline’ in de zin van Foucault, hetgeen inhoudt dat elke publieke interesse in de zaak meteen wordt afgewezen.

Verzet

De auteurs menen dat het aanhoudend in stand houden van het Ufo-taboe zinloos is. Een eerste probleem is dat het aanhouden van dat verzet aanzienlijk werk vereist. Ten eerste omdat wetenschap en de staat een ander waarheidspatro